Index panelen (Vliegtuigen en vliegproeven)

P19 - Vliegtuigen en vliegen P26 -Luchtverkeersleiding en luchthavens
P20 - Vliegproeven - voor 1945 P27 - Ondersteuning van militaire vliegoperaties
P21 - Vliegproeven - na 1945 P28 - Helikopterontwikkeling
P22 - Vliegproefinstrumentatie 1 P29 - Helikoptergebruik
P23 - Vliegproefinstrumentatie 2 P30 - Laboratoriumvliegtuigen...
P24 - Vliegproefmeetmethoden P31 - ...en onderzoeksgebieden
P25 - Vliegtuigontwikkeling P32 - Vluchtsimulatoren
P25a - Ongevallenonderzoek P32 - Air Traffic Control (ATC) simulatoren

Paneel 19 - Vliegtuigen en vliegen

Op 5 april 1919, bij de officiële opening van de RSL, stelt Prof. Van Royen: 'De practijk eischt den koenen vlieger, den militairen of burger organisator en den technicus, de fabricage den ingenieur en den handelsman, het wetenschappelijk onderzoek den mathematicus, den scherpzinnigen denker en geroutineerden proefnemer'.

Paneel 19 - Prof. L.A. van Royen 2

De RSL krijgt als taak het uitvoeren van technisch-wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot vraagstukken op luchtvaartgebied, die niet door de vliegtuigbouwer of -gebruiker alleen kunnen worden opgelost wegens gebrek aan outillage, gespecialiseerde kennis en ervaring, alsmede de taak om de overheid desgevraagd van kennis en advies te voorzien.

Paneel 19 - Technisch-wetenschappelijk onderzoek

Dr. Wolff: 'De meeste laboratoria hadden zich weinig bekommerd over den vliegkunst, maar zich gespecialiseerd in den aërodynamica. Ik had den overtuiging dat ons voornaamste doel was het vliegen en den daarbij voorkomende verschijnselen te bestuderen. De aërodynamica, motor en materialen-kennis kwamen dan op den tweeden plaats'. Deze opzet leidt uiteindelijk tot een breed scala van werkzaamheden.

Paneel 19 - Dr. Wolff 2

Binnen de RSL-organisatie wordt naast de gespecialiseerde 'Aërodynamische, Materialen en Motoren afdeeling' een 'Algemeene afdeeling' ingesteld, al snel hernoemd als 'Vliegtuigen afdeeling'. Deze afdeling bestudeert de algemene kennis der luchtvaarttechniek, met name van het vliegtuig als geheel en stelt deze kennis ter beschikking aan anderen. Tevens wordt het onderzoek door middel van vliegproeven ter hand genomen.

Paneel 19 - Vliegtuigen afdeeling

De 'Vliegtuigen afdeeling', tot aan WO-II zwaar belast met routinematige keurings- en controlewerkzaamheden, legt zich na WO-II meer toe op het wetenschappelijk onderzoek en de ondersteuning ten behoeve van:
- het verhogen van de veiligheid in de luchtvaart door het ontwikkelen van eisen voor luchtwaardigheid;
- het onderzoek van ongevallen om met verkregen inzicht de veiligheid te verhogen;
- het ontwikkelen van methoden om vliegeigenschappen en prestaties van vliegtuigen kwantitatief te bepalen;
- het adviseren van vliegtuigbouwers en het hulp bieden bij gespecialiseerde taken zoals beproevingen;
- het ondersteunen van militaire en civiele vliegtuiggebruikers om optimaal gebruik te maken van hun vliegend materieel;
- het ontwikkelen en optimaliseren van de infrastructuur voor het luchtverkeer (luchtruim, luchtverkeersleiding en luchthavens).

Om haar taken te kunnen vervullen, verwerft de 'Vliegtuigen afdeeling' in de loop der jaren de navolgende hulpmiddelen:
- wetenschappelijke modellen en (reken)methoden om de eigenschappen van vliegtuigen vast te leggen en experimenteel te verifiëren in de vlucht;
- instrumentarium om grootheden in de vlucht te meten en te registreren;
- laboratoriumvliegtuigen;
- (onderzoeks)vluchtsimulatoren;
- (onderzoeks)luchtverkeersleidingsimulatoren.

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 20 - Vliegproeven - voor 1945

Op verzoek van Prof. Van Royen worden de eerste gedachten voor een 'Vliegafdeeling' als onderdeel van een Instituut voor de Luchtvaart al in 1917 op papier gezet door de toen 26-jarige student Albert von Baumhauer (foto):
'Voert metingen uit aan vliegtuigen onder de vlucht. Ze bezit daartoe vliegtuigen, waarin meetinstrumenten zyn ingebouwd en ook meetinrichtingen, die gemakkelyk in een willekeurig vliegtuig kunnen worden aangebracht. De metingen kunnen zyn:
a. tot het technisch nauwkeurig beproeven van een vliegtuig;
b. in verband met de onderzoekingen van de studie-afdeeling;
c. ter contrôle van de metingen op modellen in het Aërodynamisch Laboratorium'.

Paneel 20 - student Albert von Baumhauer

Dr. Wolff: 'De moeilykheid [van vliegproeven] is echter dat het veel moeilyker - en in dit geval zeker gevaarlyker - is om proeven in de lucht te nemen dan proeven in het laboratorium. Men moet de beschikking hebben over mensen die perfect kunnen vliegen en daarby wetenschappelyk begrip hebben over de verschynselen, die zich bij het vliegen voordoen'. De RSL beschikte dan ook vanaf het begin over vliegers, die tevens een opleiding als ingenieur aan de Technische Hogeschool in Delft hadden genoten. De eerste vlieger is Ir. J.C.G. Grasé. Hij krijgt zijn vliegopleiding bij de militaire 'Luchtvaart Afdeeling' (LVA) in Soesterberg. In 1923 vertrekt hij naar Fokker en wordt opgevolgd door Ir. H.J. van der Maas, die eveneens bij de LVA wordt opgeleid.

Paneel 20 - Ingenieur-vliegers

In de eerste jaren van de luchtvaart wordt de luchtwaardigheid kwalitatief beoordeeld door een waarnemer (meestal de ingenieur-vlieger) met de nodige aanleg en ervaring. Deze onderkent welke eigenschappen al dan niet verbetering behoeven. Daarna kan een theoretisch onderzoek van de desbetreffende eigenschap plaats vinden gevolgd door deelonderzoeken (windtunnels, sterkte- en materialenlab). Uiteindelijk vindt een toetsing plaats van theoretisch en deelonderzoek door middel van het ware-grootte onderzoek door vliegproeven.

Paneel 20 - Luchtwaardigheid kwalitatief beoordeeld door een waarnemer

De vliegers van de RSL (later het NLL) voeren tot aan WO-II vooral veel vliegproeven uit ten behoeve van de 'Luchtvaart Afdeeling' (LVA) en de Marine, beide van het Departement van Oorlog, het 'Bureau Luchtvaart' van het Departement van Waterstaat, de KLM en de Nederlandse vliegtuigfabrikanten. Als het civiele vliegtuigen betreft gaat het vooral om vliegprestaties en vliegeigenschappen, die benodigd zijn om het Bewijs van Luchtwaardigheid te krijgen van het 'Bureau Luchtvaart'. Veel tijd wordt besteed aan het kalibreren van instrumenten en de juiste plaatsbepaling van sensoren op het vliegtuig, zoals pitotbuizen. In 1924 wordt door de RSL een reglement opgesteld voor de afnameproeven van vliegtuigen.

Paneel 20 - Vliegproeven uit ten behoeve van de 'Luchtvaart Afdeeling'

Op 3 september 1938 vestigt H. Leegstra, testvlieger bij Fokker, een hoogterecord met een Fokker D-XXI. Hij bereikte een hoogte van 11.354 m. Op verzoek van een door de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL) aangewezen sportcommissie zijn de hoogtemetingen m.b.v. een 'automatische waarnemer' door het NLL verricht om het bewijs te leveren van deze prestatie.

Paneel 20 - Hoogterecord en automatische waarnemer

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 21 - Vliegproeven - na 1945

Gedurende WO-II valt er om begrijpelijke redenen geen vliegtuig meer te beproeven. Wel bestaat nu de gelegenheid om de theoretische kennis op een hoger peil te brengen. Na WO-II krijgen de vliegproeven een meer kwantitatief karakter, gedurende de oorlog mogelijk gemaakt door de snelle ontwikkeling van de vliegtuig-, meet- en analysetechnieken. Het NLL wordt door het herrijzende Fokker, de KLM, de Koninklijke Luchtmacht en Koninklijke Marine betrokken bij de definitie en uitvoering van vliegproeven en brengt hiermee continuïteit op dit vakgebied. Deze vliegproeven worden vaak voorbereid met behulp van de laboratoriumvliegtuigen, later aangevuld met de (onderzoeks-)vluchtsimulatoren. Zij spelen dan ook een fundamentele rol in de ontwikkeling van dit vakgebied.

Een bijzondere vliegproef, inleiding tot hechte samenwerking tussen NLL en de Koninklijke Luchtmacht, is de meting van een snelheidsrecord met een Gloster Meteor, gevlogen door Majoor Flinterman in 1949. NLL ingenieurs verhuizen daarvoor met de nodige meetapparatuur naar Ameland (het 'circus Flinterman') waar een recordsnelheid van 953 km/uur wordt gemeten.

Paneel 21 - Snelheidsrecord met een Gloster Meteor

Abnormale vliegtoestanden, zoals de tolvlucht ('vrille'), worden onderzocht voor les- en jachtvliegtuigen, o.a. voor de Fokker S.11 en S.14. Vluchtresultaten worden vergeleken met windtunnel­metingen. Zo worden de gedragingen en mogelijke herstelacties in kaart gebracht. Maar ook de resultaten van windtunnelmetingen worden door zo’n vergelijking (o.a. van de Fokker F28) getoetst en verbeterd.

Paneel 21 - Abnormale vliegtoestanden

Voorbeelden van vliegproeven, die volledig door het NLL/NLR worden uitgevoerd, zijn:
- meten van prestaties en vliegeigenschappen van de opeenvolgende laboratoriumvliegtuigen, ook bedoeld om de meetmethoden te ontwikkelen;
- beproeven van door het NLR ontwikkelde systemen, zoals een plaatsbepalingsysteem gebaseerd op gemeten afstanden tot verscheidene DME1-bakens;
- ijking in de vlucht van het pitot-statische drukmeetsysteem van de KLM DC-8 m.b.v. een laboratoriumvliegtuig (foto);
- bepalen van het mathematisch model van het Cessna Citation vliegtuig uit vluchtmetingen (t.b.v. een Citation-trainingssimulator voor de Rijksluchtvaartschool).

Paneel 21 - Voorbeelden van vliegproeven, die volledig door het NLL/NLR worden uitgevoerd

Ook worden vliegproeven uitgevoerd voor de Koninklijke Luchtmacht (Klu) en de Koninklijke Marine (KM), die echter zelf verantwoordelijk zijn voor het juiste gebruik van de resultaten:
- ontwikkelings- en integratieproeven van verkenningssystemen (bv. Orpheus infra-rood systeem) met laboratoriumvliegtuigen en militaire jachtvliegtuigen (KLu);
- helikopter-schip metingen om operationele limieten te bepalen (KM);
- separatie van wapens en containers van jachtvliegtuigen als F-104, NF-5, F-16 (KLu).

Paneel 21 - Ook worden vliegproeven uitgevoerd voor de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine

Bij de vliegproeven met vrijwel alle Fokkervliegtuigen definieert Fokker de vliegproeven, voert ze uit en bewerkt de meetresultaten tot certificatiegegevens. Het NLL/NLR ontwikkelt, bouwt en bedient (het grootste deel van) de meet- en registratieapparatuur en levert de gevalideerde meetresultaten aan Fokker. Ook worden nieuwe meetmethoden voor vliegproeven door het NLL/NLR ontwikkeld en voorgesteld aan Fokker.

Paneel 21 - Bij de vliegproeven met vrijwel alle Fokkervliegtuigen definieert Fokker

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 22 - Vliegproefinstrumentatie 1

Om eigenschappen van vliegtuigen, helikopters en hun systemen te kunnen bepalen, moeten veel grootheden worden gemeten, vaak met speciaal ontwikkelde en geïnstalleerde instrumenten. De standaard instrumenten van het vliegtuig zelf, zeker in het verleden, zijn hiervoor meestal niet voldoende nauwkeurig of meten niet de vereiste grootheden.

Paneel 22 - Eigenschappen van vliegtuigen

Zeker bij de vroegere instrumenten kan de aanwijzingsfout meerdere procenten van de gemeten waarde bedragen en bovendien wijzigen gedurende de levensloop. Deze aanwijzingsfout wordt daarom voor elk individueel instrument regelmatig bepaald d.m.v. ijking tegen een nauwkeurige meetstandaard. De geregistreerde aanwijzing kan dan later gecorrigeerd worden. Deze correcties worden tot ca. 1965 aangebracht door een hele zaal met 'reken-dames'. Daarna nemen de computers deze taak over. De meetstandaards zelf zijn weliswaar zeer nauwkeurig maar niet geschikt om mee te vliegen. Voor het meten van drukken beschikt het NLR lange tijd zelfs over de hoogste standaard in Nederland!

Paneel 22 - Een hele zaal met 'reken-dames'

De 'Afdeeling Vliegtuigen' ontwikkelt aanvankelijk deels haar eigen meet-instrumenten. In latere jaren worden meer instrumenten gekocht en richt de kennis en inspanning zich meer op de inpassing van de instrumenten in een meetsysteem. De instrumenten in de vitrine laten de ontwikkeling in de tijd zien van het meten van vlieghoogte, vliegsnelheid, stijgsnelheid en drukken.

Paneel 22 - De 'Afdeeling Vliegtuigen' ontwikkelt aanvankelijk deels haar eigen meet-instrumenten

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 23 - Vliegproefinstrumentatie 2

De instrumenten in de vitrine van dit paneel, laten de ontwikkeling in de tijd zien van het meten van de vliegtuigstand, standen en verplaatsingen van roeren en van andere vliegtuigdelen, temperaturen (bijvoorbeeld buitenlucht, motoren, cabine) en van versnellingen.

Paneel 23 - Instrumenten in de vitrine van dit paneel

De gemeten grootheden moeten als functie van de tijd worden vastgelegd. Aanvankelijk noteert een waarnemer de gegevens tijdens de vlucht. Ook worden zelfregistrerende instrumenten ontwikkeld die bijvoorbeeld meetgegevens op een ronddraaiende trommel krassen. Al vóór WO-II worden groepen aanwijzers tijdens de vlucht gefotografeerd en in het laboratorium afgelezen (de 'automatische waarnemer', foto). Als elektrische apparatuur beschikbaar komt worden meetgegevens m.b.v. spiegeloptieken op lichtgevoelig papier vastgelegd. Nog later doen elektronica (in het vliegtuig avionica genoemd) en computers hun intrede en worden meetgegevens gedigitaliseerd en op magneetband vastgelegd.

Paneel 23 - Automatische waarnemer

Het NLR ontwikkelt omvangrijke meetsystemen voor de beproeving en certificatie van Fokker vliegtuigen, zoals een automatische waarnemer voor F27 en F28, een digitale recorder DR28 voor F28, en voor Fokker 50 en Fokker 100 een compleet Meet-, Registratie- en Verwerkingssysteem (MRVS, foto). Voor proeven met militaire vliegtuigen en helikopters worden meetsystemen ontwikkeld die bijvoorbeeld op de plaats van het (verwijderde) boordkanon of in de munitietrommel kunnen worden ingebouwd. Deze deels eigen ontwikkelingen stimuleren sterk de kennisopbouw van 'vliegtuig elektronica', avionica genoemd. Deze kennis wordt vervolgens aangewend bij de ontwikkeling van vliegtuigen en hun systemen.

Paneel 23 - Meet-, Registratie- en Verwerkingssysteem (MRVS)

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 24 - Vliegproefmeetmethoden

Bij metingen in de vlucht worden de grootheden, die de stabiliteits- en besturingseigenschappen of prestaties beschrijven, vrijwel altijd indirect gemeten. De ontwikkeling van meetmethoden en herleidingsmethoden is dan ook een wezenlijke factor om verantwoorde resultaten te verkrijgen uit vliegproeven.

Paneel 24 - Ontwikkeling van meetmethoden en herleidingsmethoden

De statische stabiliteit van het vliegtuig bepaalt of het na een verstoring uit de evenwichtsstand weer in zijn oorspronkelijke stand terugkeert zonder ingrijpen van de vlieger. De RSL levert een fundamentele bijdrage door de methode te ontwikkelen om d.m.v. het bepalen van stuurstanden en –krachten de statische stabiliteit kwantitatief te meten.

Paneel 24 - Statische stabiliteit

Meting van vliegeigenschappen in niet-stationaire vlucht is in de jaren zeventig van de vorige eeuw mogelijk geworden door nieuwe wiskundige technieken (regressie analyse, Kalman filtering), gepaard met krachtige computers en zeer nauwkeurige instrumenten. Een grote reductie van meettijd t.o.v. klassieke meetmethoden wordt zo bereikt alsmede een uitbreiding van het aantal meetbare kenmerkende grootheden.

Paneel 24 - Vliegeigenschappen in niet-stationaire vlucht

Het maximumgewicht waarmee een vliegtuig van een startbaan met gegeven lengte mag vertrekken wordt bepaald door een groot aantal factoren (motorvermogen, temperatuur, stand van de vleugelkleppen, wind, conditie van de startbaan etc.). T.b.v. de vliegtuigcertificatie moeten de start- en landingsprestaties onder een groot aantal verschillende condities worden bepaald. Naast vliegtuigbaan en -stand, rotaties, versnellingen, remvermogen en snelheden moeten nog vele andere parameters van het vliegtuig en zijn motoren worden vastgelegd. Voor registratie van de zes eerstgenoemde grootheden zijn eerst fotografische meetmethoden ontwikkeld, die successievelijk vervangen zijn door methoden gebaseerd op satellietnavigatie en versnellingsmetingen. Daarmee is het tijdrovende uitlezen van foto’s overbodig geworden.

Paneel 24 - Maximumgewicht waarmee een vliegtuig van een startbaan met gegeven lengte mag vertrekken

Het afwerpen van lasten, die onder militaire jachtvliegtuigen hangen (wapens, brandstoftanks) kan gevaar opleveren voor het vliegtuig. Met een computersimulatie kan worden voorspeld bij welke snelheid en condities dit afwerpen nog veilig kan gebeuren. Dit wordt dan in de vlucht gemeten en de resultaten worden gebruikt om de simulatie te verbeteren. Het uiteindelijke doel is het vaststellen van veilige afwerplimieten.

Paneel 24 - Afwerpen van lasten die onder militaire jachtvliegtuigen

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 25 - Vliegtuigontwikkeling

In de jaren tot aan WO-II besteedt de 'Afdeeling Vliegtuigen' het overgrote deel van haar tijd en rapporten (meer dan 90% van de ruim 1200 rapporten) aan beproevingen van vliegtuigen en systemen, zoals aangegeven op de voorgaande panelen. Het fundamentele onderzoek, dat wordt verricht en de bijdragen, die worden geleverd aan de vliegtuigontwikkeling betreffen de navolgende gebieden:
- Vaststellen van voorschriften;
- Stabiliteit en besturing;
- Vliegtuigprestaties;
- Motor- en schroefprestaties;
- Blindvliegen;
- Sterkteberekeningen;
- Trillingen (flutter);
- Vergelijking van model proeven met ware-grootte proeven.
Overigens kan juist tijdens WO-II, door het ontbreken van vliegproeven, meer tijd worden besteed aan de verdieping van de theoretische kennis, die van belang is voor vliegtuigontwikkeling.

Met de komst van de Douglas DC-2 voor de KLM in 1934 is het de eerste keer, dat de luchtwaardigheid moet worden beoordeeld van een in het buitenland ontworpen, geheel metalen vliegtuig. Er wordt onder meer een voorstel door de RSL gedaan voor verbetering van de stabiliteits- en besturingseigenschappen van dit toestel, vooral na het verongelukken van de 'Uiver', eind 1934.

Paneel 25 - Met de komst van de Douglas DC-2 voor de KLM

Avionica of luchtvaartelektronica is de discipline, die zich bezighoudt met de elektronische systemen aan boord van civiele en militaire vliegtuigen en de bouw hiervan. De functies zijn o.m. communicatie (in- en extern), navigatie (o.a. Global Positioning System (GPS), Terrain Referenced Navigation (TRN), Inertial Navigation system (INS) en Multi-Distance Measuring Equipment (Multi-DME)), besturing en geleiding, vliegerpresentatie (Electronic Flight Instrument System (EFIS)), automatisering, beveiliging, waarneming (met o.a. radar-, infrarood- en elektro-optische sensoren). Het zijn, naast de functionele eisen, de strenge veiligheidseisen en de veeleisende vliegtuigomgeving, die dit vakgebied zo bijzonder maken. Het belang hiervan wordt in Nederland onderkend en in 1979 start er aan de Afdeling Elektrotechniek van de TU-Delft, in nauwe samenwerking met de Afdeling Lucht- en Ruimtevaarttechniek, een afstudeerrichting Avionica. Prof. Ir. T. van Oosterom van het NLR (foto) is de grote promotor van dit initiatief.

Paneel 25 - Prof. Ir. T. van Oosterom

Na WO-II zet de Afdeling Vliegtuigen de bijdrage aan de vliegtuig­ontwikkeling voort, vaak samen met de Afdeling Elektronica waarmee nauwe banden zijn ontstaan door de gezamenlijke ontwikkeling van meetsystemen. Het betreft o.m.:
- blindlandingstechnieken en geassocieerde vliegtuigsystemen;
- stabiliteits- en besturingseigenschappen met het oog op de introductie van de pijlvleugel;
- systemen voor communicatie, navigatie, detectie en identificatie (zgn. avionica systemen);
- flexibele cockpitontwerpen op basis van beeldschermen (Head Up Display (HUD), Electronic Flight Instrument System (EFIS));
- kunstmatige stuurkracht opwekking (m.b.v. een 'side-stick') en elektronische aansturing van de stuurvlakken ('fly-by-wire');
- waarschuwingssystemen voor windschering (windshear);
- technieken voor het meten van de werkbelasting van de vlieger.
Veel van het ontwikkelingswerk is gericht op de civiele vliegtuig-programma’s van Fokker en op de Nederlandse vliegtuiggebruikers.

Ontwikkeling van de elektronische vliegtuig-instrumenten (Primary Flight Display en Navigation Display, boven elkaar in het midden) en het Flight Mode Panel (rechtsboven, maar wel onder het Glare Shield) voor de Fokker 100 in de NLR vluchtnabootser. Rechtsonder een videocamera voor registratie.

Paneel 25 - EFIS in NLR vluchtnabootser

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 25a - Ongevallenonderzoek

Tijdens een vliegdemonstratie op 12 augustus 1928 te Heerlerheide, verongelukt een Dietrich DP IIa vliegtuig (registratiekenmerk: D-572) met vlieger Philip Gesper (jachtpiloot in WW-I). Kort na de start treedt motorstoring op en vliegt de Dietrich het publiek in waarbij vijf dodelijke slachtoffers vallen. De RSL heeft het onderzoek naar het ongeval uitgevoerd.

Paneel 25a - Ongevallen met vliegtuigen (ongeval Heerlerheide 12-08-1928)

Ongevallen met civiele vliegtuigen:
- vanaf 1920 voert de RSL na een ongeval onderzoek uit in opdracht van de Minister van Waterstaat;
- vanaf 1923 wordt na een ernstig ongeval een ad-hoc ongevallencommissie gevormd waarin een RSL-deskundige zitting heeft;
- vanaf 1929 wordt de Permanente Onderzoeks Commissie (P.O.C.) ingesteld, waarin de directeur van de RSL zitting heeft;
- in 1936 treedt de Luchtvaartongevallenwet in werking, de Raad voor de Luchtvaart ontstaat, waarin een functionaris van NLL/NLR is vertegenwoordigd.

Ongevallen met militaire vliegtuigen: de RSL/NLL/NLR wordt ad-hoc ingeschakeld ter ondersteuning bij onderzoek.

Voorbeeld 1
- Ongeval met de KLM DC-2 Uiver in december 1934 in de woestijn van Irak (Rutbah Wells);
- gedetailleerd onderzoek ter plaatse uitgevoerd door een RSL expert;
- conclusie onderzoek: combinatie van vermoeidheid vliegers en ongunstige vliegeigenschappen tijdens slechte weersomstandigheden;
- vervolgonderzoek leidt tot voorstellen ter vergroting van de effectiviteit van het verticale staartvlak.

Voorbeeld 2
Botsing tussen KLM Boeing 747 en Panam Boeing 747, op 27 maart 1977 te Tenerife (het ernstigste vliegtuigongeval aller tijden).
NLR experts hebben geassisteerd bij het uitlezen en analyseren van de 'zwarte dozen', de Digital Flight Data Recorders en de Cockpit Voice Recorders van beide vliegtuigen, de geluidsopnamen in de verkeerstoren en het op een gemeenschappelijke tijdbasis zetten van alle gegevens, het z.g. synchroniseren.
Door hun bijdrage zijn de onderlinge tijdfouten van eerdere analyses gecorrigeerd en is de juiste volgorde van de gebeurtenissen vastgesteld.

Paneel 25a - Botsing tussen KLM Boeing 747 en Panam Boeing 747

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 26 - Luchtverkeersleiding en luchthavens

Vóór de tweede Wereldoorlog navigeert de vlieger voornamelijk op zicht naar buiten en door middel van lichtbakens en radiopeilingen. Pas daarna, als een snelle toename van het luchtverkeer optreedt, wordt luchtverkeersleiding ingesteld en worden radiobakens ontwikkeld en geplaatst. Geluidshinder en optimaal gebruik van luchthavens worden issues.
De Luchtverkeersbeveiliging (LVB), nu Luchtverkeersleiding Nederland (LNVL), ontwerpt in de jaren tot 1990 met support van de firma Hollandsche Signaal Apparaten haar eigen systemen. Het NLR ondersteunt begin jaren 90 de LVB met de ontwikkeling van speciale hulpmiddelen, zoals een systeem dat de luchtverkeersleider waarschuwt als vliegtuigen te dicht bij elkaar gaan komen (STCA = Short Term Conflict Alert).

De verkeerstoren van Schiphol voor de Tweede Wereldoorlog. Het sein staat op K, ten teken dat een KLM vliegtuig naar zijn vertrekpunt mag rollen. Daar aangekomen ontvangt het een tweede signaal, een zeer smalle lichtbundel als toestemming om op te stijgen. Het radiotoestel in de kajuit wordt door een afzonderlijke telegrafist bediend. Rechts de koker van waaruit de antenne wordt uitgelaten.
Foto’s uit het Patria album 'De Vliegende Hollander'.

Paneel 26 - Verkeerstoren van Schiphol voor de Tweede Wereldoorlog

NLR simulatoren en vliegtuigen zijn betrokken geweest bij de beproeving van totaal verschillende concepten.
Samen met Europese partners waaronder Eurocontrol is een verkeersleidingsmethodiek getest (het PHARE1-project, Programme for Harmonized ATC Research in Eurocontrol, voltooid in 1999), waarin elk vliegtuig een eigen, conflictvrije 'buis' van begin- naar eindpunt krijgt toegewezen. Het vliegtuig moet zich wel aan de afgesproken tijden en de afmetingen van de buis houden.
De digitale computer in een modern vliegtuig is in staat de 'automatische piloot' van het vliegtuig te sturen en zo de gehele vlucht uit te voeren. Als de vliegtuigen elkaar ook kunnen 'zien', kunnen de computers ook uitwijkmanoeuvres berekenen en uitvoeren. De rol van de luchtverkeersleiding wordt daardoor geheel opnieuw gedefinieerd. Dit systeem, ontwikkeld in samenwerking met NASA, FAA, en Eurocontrol, heet Free Flight en levert hogere veiligheid, grotere efficiëntie en lagere kosten bij veel meer verkeer.

Paneel 26 - Ontwikkeling Plan View Display

Het NLR ontwikkelt vanaf 1970 een wiskundig model, waarmee op basis van met een radar gemeten en geregistreerde vliegbanen en de per vliegtuigtype bekende geluidskarakteristieken, de geluidsbelasting rond luchthavens op jaarbasis wordt berekend. In de publieke en politieke discussie rond de uitbreiding van Schiphol spelen dit model en de aldus berekende geluidscontouren een belangrijke rol.

Paneel 26 - Volgradar om vliegbanen vast te leggen

Geluidshindercontouren voor luchthaven Schiphol.

Paneel 26 - Geluidshindercontouren voor luchthaven Schiphol

Met het ongeval van de El Al Boeing 747 in de Bijlmermeer (1992) als katalysator, is de ook in de Milieu Effect Rapportage vereiste risico-analyse rond luchthavens noodzakelijk geworden. In samenspraak met Nederlandse deskundigen op velerlei terrein is een in de wereld uniek model ontwikkeld om het risico te bepalen dat omwonenden van luchthavens lopen om door een neerstortend vliegtuig te worden getroffen.

Bij de start en landing kan een vliegtuig verongelukken door de wervels achter een vliegtuig dat te dicht voor hem vliegt. Baanbrekend onderzoek naar de positie en sterkte van deze wervels met behulp van een serie windmolentjes wordt door het NLR reeds in de jaren 70 verricht, toen helaas nog zonder bruikbaar resultaat. Recent grootschalig internationaal vervolgonderzoek met moderne middelen levert echter wel bruikbare resultaten.

Paneel 26 - Onderzoek naar de positie en sterkte van wervels met behulp van windmolentjes

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 27 - Ondersteuning van militaire vliegoperaties

Tactisch Handboek voor de vliegtuigen van de Koninklijke Luchtmacht.

Paneel 27 - Tactisch Handboek voor de vliegtuigen van de Koninklijke Luchtmacht

Missieondersteuningssyteem MSS/CAMPAL (Mission Support System/Computer Aided Mission Preparation at Airbase Level).

Paneel 27 - Missieondersteuningssyteem MSS/CAMPAL (Mission Support System/Computer Aided Mission Preparation at Airbase Level)

Beproeving van infrarood flares.

Paneel 27 - Beproeving van infrarood flares

Video-based Live Aircraft Stinger Trainer (VLAST) trainingshulpmiddel.

Paneel 27 - Video-based Live Aircraft Stinger Trainer (VLAST) trainingshulpmiddel

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 28 - Helikopterontwikkeling

De RSL is vanaf 1925 betrokken bij de bouw en beproeving van de 'Von Baumhauer' helikopter t.b.v. een door het Britse ministerie van luchtvaart uitgeschreven prijsvraag voor een helikopter. Von Baumhauer past hierbij cyclische bladbesturing toe en een staartrotor. In 1930 is tijdens een proefvlucht een vitaal onderdeel gebroken en is het project gestopt.

Paneel 28 - De 'Von Baumhauer' helikopter

In 1947 wordt opgericht de 'Stichting voor Hefschroefvliegtuigen'. Deze heeft als opdracht het uitvoeren van onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van helikopters in Nederland. Een Sikorsky S-51 wordt hiervoor aangeschaft. Het NLL definieert het vliegproevenprogramma en doet de vluchtregistratie veelal m.b.v. foto’s van de instrumenten.

Paneel 28 - Sikorsky S-51

In 1952 wordt opgericht de 'Stichting voor de Ontwikkeling en Bouw van een Experimentele Helicopter' (SOBEH). Deze helikopter kreeg later de naam Kolibrie. Het NLL doet ontwikkelingswerk onder andere aan de motoren (ram-jets). Hiervoor wordt een rotorteststand gebruikt in Amsterdam en later in de Noordoostpolder. Het NLL ontwerpt de vliegproefapparatuur.

Paneel 28 - PH-ACA Nederlandse Helicopter Industrie H-3 Kolibrie (PH-ACA)

Sinds 1985 is het NLR betrokken bij het militaire, multinationale helikopterproject NH90. Het NLR voert veel windtunnelmetingen uit en ondersteunt de Nederlandse industrie bij de ontwikkeling van o.a. het landingsgestel, het staartachterstuk en de elektronische uitrusting. Vanaf 1987 levert het NLR expertise aan het projectbureau NH90 bij de Koninklijke Marine.

Paneel 28 - NH Industries NH90 (F-ZWTI)

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 29 - Helikoptergebruik

Sinds 1968 is het NLR betrokken bij de kwalificatie van alle helikopter-schipcombinaties van de Koninklijke Marine. Kwalificatieprogramma’s worden ook uitgevoerd voor buitenlandse opdrachtgevers. Het doel is om de limieten vast te stellen voor het veilig vanaf schepen kunnen opereren, bij dag en nacht, bij verschillende windcondities en golfhoogten. De kwalificatie kent vier afzonderlijke stappen van windtunnelmetingen aan een scheepsmodel tot en met helikopter-schipbeproevingen op zee. Op de fotocollage de vier stappen in het helikopter-schip kwalificatieproces met een voorbeeld van een SHOL (Ship Helicopter Operational Limitation) diagram.

Paneel 29 - Kwalificatie van alle helikopter-schipcombinaties

De Koninklijke Luchtmacht beschikt sinds 1995 over Chinook transporthelikopters. Zeven van deze toestellen zijn eerder door Canada gebruikt en daarna geheel gemoderniseerd. Onder andere worden ze voorzien van een 'glazen cockpit'. Specialisten van het NLR zijn op verzoek van de Koninklijke Luchtmacht op de fabriek van Boeing betrokken bij de certificatie van deze nieuwe cockpit.

Paneel 29 - Certificatie 'glazen cockpit' Chinook

De met beeldschermen uitgeruste cockpit van de CH-47D Chinook.

Paneel 29 - De met beeldschermen uitgeruste cockpit van de CH-47D Chinook

Door NLR ontwikkeld vliegproefinstrumentatiepakket, specifiek voor de Kolibrie (1955).

Paneel 29 - Door NLR ontwikkeld vliegproefinstrumentatiepakket voor de Kolibrie

Het gebruik van Night Vision Goggles t.b.v. nachtvliegbeproevingen met de Alouette III (1976).

Paneel 29 - Het gebruik van Night Vision Goggles t.b.v. nachtvliegbeproevingen met de Alouette III

Het European Rotorcraft Forum (ERF) is opgericht in 1975 door Engeland, Frankrijk (West-)Duitsland, Italië en Nederland. Het betreft een jaarlijks congres, dat bij toerbeurt in de deelnemende landen wordt gehouden, later ook in Rusland. Het doel is het uitwisselen van kennis en ervaring op het terrein van onderzoek, ontwerp, ontwikkeling, productie, testen en het gebruik van helikopters. In 1979 is het ERF voor het eerst in Nederland gehouden, daarna nog vijf keer. Het NLR is hoofdsponsor. Foto: deelnemers aan het 5e ERF bezoeken de Duits Nederlandse Windtunnel in de Noordoostpolder (1979).

Paneel 29 - Deelnemers aan het 5e ERF (European Rotorcraft Forum) bezoeken de Duits Nederlandse Windtunnel in de Noordoostpolder

Het helikopterdemonstratieteam de 'Grasshoppers' van de Koninklijke Luchtmacht bij het bezoek aan de DNW (1979).

Paneel 29 - Het helikopterdemonstratieteam de 'Grasshoppers' van de Koninklijke Luchtmacht bij het bezoek aan de DNW

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 30 - Laboratoriumvliegtuigen...

Vanaf de start van het laboratorium wordt het belang onderkend van een laboratoriumvliegtuig. Het uitvoeren van vliegproeven met een speciaal voor dit doel uitgerust vliegtuig verschaft het laboratorium essentiële gegevens, die veelal niet op andere wijze te verkrijgen zijn. Het beginnende laboratorium verkrijgt hierdoor veel toegevoegde waarde ten opzichte van een louter theoretisch onderzoeksbureau. Ook voor het huidige NLR is dit inzicht nog onverminderd van belang.

Fokker F.II met registratiekenmerk PH-RSL (1920-1936).

Paneel 30 - PH-RSL Fokker F.II

Fokker F.VIIa met registratiekenmerk PH-NLL (1936-1940).

Opmerking: tot juli 1937 werd registratiekenmerk PH-RSL gebruikt!

Paneel 30 - PH-NLL Fokker F.VIIa

Göppingen Gö 4 met registratiekenmerk PH-111 (1944-1952).

Paneel 30 - PH-111 Göppingen Gö 4

Siebel Si.204D-1 met registratiekenmerk PH-NLL (1947-1964).

Paneel 30 - DePH-NLL Siebel Si.204D-1

Fokker S.14.1 Machtrainer met registratiekenmerk PH-XIV (1961-1966).

Paneel 30 - PH-XIV Fokker S.14.1 Machtrainer

Beech 65-80 Queen Air met registratiekenmerk PH-NLR (1963-1994).

Paneel 30 - Beech 65-80 Queen Air

Hawker Hunter T.7 met registratiekenmerk PH-NLH (1966-1980).

Paneel 30 - PH-NLH Hawker Hunter T.7

Fairchild-Swearingen SA226-TC Metro II met registratiekenmerk PH-NLZ (1979-2015).

Paneel 30 - PH-NLZ Fairchild-Swearingen SA226-TC Metro II

Cessna 550 Citation II met registratiekenmerk PH-LAB (1993-heden).

Paneel 30 - PH-LAB Cessna 550 Citation II

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 31 - ...en onderzoeksgebieden

Calibratie van het pitot-statisch systeem van een Douglas DC-8-55 van de KLM door vergelijking met de Hawker Hunter van het NLR. De metingen werden in opdracht van de KLM uitgevoerd om het brandstofverbruik van de DC-8-55 vliegtuigen te onderzoeken.

Paneel 31 - Calibratie van het pitot-statisch systeem

Citation rijdt met hoge snelheid door een waterbak voor meting van de weerstand van het opspattend water tijdens de start.

Paneel 31 - Citation rijdt met hoge snelheid door een waterbak voor meting van de weerstand van het opspattend water tijdens de start

Inspectie van een ILS (Instrument Landing System) grondinstallatie door de Fairchild-Swearingen Metro II.

Paneel 31 - Inspectie van een ILS grondinstallatie door de Fairchild-Swearingen Metro II

NLR’s Queen Air met de door TUD/NLR ontwikkelde DUTSCAT scatterometer boven Bretagne.

Paneel 31 - NLR’s Queen Air met de door TUD/NLR ontwikkelde DUTSCAT scatterometer boven Bretagne

Vliegproefinstrumentatie aan boord van de Queen Air.

Paneel 31 - Vliegproefinstrumentatie aan boord van de Queen Air

Neusstaak aan de Queen Air voor sliphoek- en invalshoekmeting.

Paneel 31 - Neusstaak aan de Queen Air voor sliphoek- en invalshoekmeting

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 32 - Vluchtsimulatoren

Vluchtnabootsers worden aanvankelijk gebruikt voor training van vliegers op specifieke civiele en militaire vliegtuigtypen. De komst van computers heeft de ontwikkeling van vluchtsimulatoren bevorderd.
Medio jaren vijftig van de vorige eeuw komt de technologie beschikbaar om vluchtnabootsers ook te bouwen voor onderzoeksdoeleinden, zoals het testen van procedures en stuurhut­inrichting. Deze technologie is van belang voor het NLR om het onderzoek van het vliegen onder diverse omstandigheden uit te breiden.

GEBOUWEN - Westvleugel, kelder
1956-1974
De eerste vluchtsimulatoren worden in de kelder van Westvleugel (Gebouw 20) opgebouwd. Het betreft NLR-VERA, NLR-VERA+ en C-11 VTOL (VTOL = Vertical Take-Off and Landing). De EAI-680 Analoge Computer wordt ook hier geplaatst.

Paneel 32 - Westvleugel, 1956-1974

GEBOUWEN - VN-Gebouw
1972-heden
In 1972 wordt de eerste paal van het Vluchtnabootser (VN) gebouw geslagen. Het gebouw omvat een simulatiehal (VMBS = Vluchtnabootser met Bewegende Stuurhut), computerruimte, kantoren, werkplaatsen en een experimentenruimte (C-11 VTOL). Na oplevering wordt de VMBS deel voor deel opgebouwd. De C11 VTOL en de EAI-680 worden naar het nieuwe gebouw overgebracht. Op 25 januari 1973 wordt het gebouw officieel in gebruik genomen. De VMBS is dan al voor een deel operationeel; in 1975 volledig.

Paneel 32 - VN-Gebouw, 1972-heden

GEBOUWEN - Uitbreiding VN-Gebouw
1987–heden
Omdat er geld beschikbaar komt voor een verbeterde simulator, dient er een simulatiehal bij te komen. Gekozen wordt om het bestaande gebouw uit te breiden. De uitbreiding krijgt een hal en een bedieningsruimte voor de Nationale Simulatie Faciliteit (NSF) en drie kantoren. De eerste vlucht van de NSF is op 31 december 1994.

Paneel 32 - Uitbreiding VN-Gebouw, 1987–heden

1956-1972: In deze experimentele fase worden bij het NLR statische (niet-bewegende) vluchtsimulatoren gebruikt met zeer beperkte zichtmogelijkheden. Het betreft de NLR-VERA, de NLR-VERA+ en de C-11 VTOL. Analoge computers verzorgen de berekeningen. Het onderzoek daarmee is beperkt van aard en grotendeels bedoeld om kennis op te doen over simulatietechnieken en vliegeigenschappen van enkele VTOL- en STOL-vliegtuigen (STOL = Short Take-Off and Landing). Rond 1970 wordt de computer van de C-11 VTOL geprogrammeerd met een model van de Hawker-Siddeley P.1127 Kestrel (wat later de Harrier wordt). In 1972, als Fokker bezig is met een STOL transportvliegtuig met vier motoren (Project 301), biedt het NLR haar simulator aan voor dit onderzoek.

COMPUTER - VERA (ANALOOG)
1956-1968.
NLR begint in 1955 met zijn computeractiviteiten met een analoge computer. Hiermee worden simulatieberekeningen uitgevoerd. De eerste simulatie is in 1956. VERA is een fabrikant van analoge computers.

>> SIMULATOR - NLR-VERA - 1962-1964.

Paneel 32 - Computer en simulator, NLR-VERA

SIMULATOR - NLR-VERA+
1965-1967.

Paneel 32 - Simulator, NLR-VERA+

COMPUTER - EAI-680 (ANALOOG)
1967-1985.
Een EAI 680 is een geheel op transistors gebaseerde analoge computer.

Paneel 32 - Computer, EAI-680

SIMULATOR - C-11 VTOL (VTOL = Vertical Take-Off and Landing)
1969-1974.
Van origine een Link C-11 Trainer. Voor gebruik bij het NLR is deze verbouwd. De cockpit kan worden voorzien van stuurknuppel of -wiel (zie twee volgende foto's).

Paneel 32 - Simulator - C-11 Vertical Take-Off and Landing (VTOL)

Cockpit voor C-11 VTOL (C-11 VTOL SIMULATOR)
1969-1974.
Foto: C-11 VTOL met stuurknuppel/Project P.1127.

Paneel 32 - Cockpit van C-11 VTOL met stuurknuppel/P.1127

Cockpit voor C-11 VTOL (C-11 VTOL SIMULATOR)
1969-1974.
Foto: C-11 VTOL met stuurwiel/Project Vertraagde Nadering.

Paneel 32 - Cockpit van C-11 VTOL met stuurwiel/P.301

1972-1980: Een vluchtnabootser voor één vlieger voorzien van een hydraulisch bewegend platform met vier graden van vrijheid wordt gebouwd (VMBS = Vluchtnabootser met Bewegende Stuurhut) en later voorzien van een zichtsysteem. Dit maakt gebruik van een landschapsmodel op een schaal van 1:2000, dat wordt 'bekeken' door een tv-camera welke naar gelang de positie van het vliegtuig over deze maquette wordt bewogen. Het camerabeeld wordt weergegeven op een monitor, die via een collimator (spiegelsysteem voor het verkrijgen van een evenwijdige lichtbundel) zichtbaar is voor de vlieger. In deze periode kunnen door toepassing van digitale computers de gebruiksmogelijkheden van deze vluchtnabootser sterk worden verbeterd. Verschillende onderzoeksprojecten voor NIVR en RLD vinden met deze simulator plaats (met betrekking tot vliegeigenschappen en vliegprocedures).
Voor specifieke onderzoeksdoeleinden wordt een F-16 Mock-up ontwikkeld en in gebruik genomen. Deze vluchtnabootser staat vast op de grond ('fixed base') en het beperkte uitzicht van de vlieger wordt op een simpele monitor weergegeven. Deze blijkt al snel erg bruikbaar bij de voorbereidingen van projecten, die op de Nationale Simulatie Faciliteit (NSF), later GFORCE, worden uitgevoerd.

SIMULATOR - Vluchtnabootser met Bewegende Stuurhut (VMBS)
1973-1975.
Foto: VMBS voorzien van Eénpersoonsstuurhut (1P) zonder monitor en spiegelsysteem voor uitzichtsimulatie (Wide Angle Collimator (WAC) Display). De stuurhut is een verbouwde neussectie van een F-104 Starfighter simulator afkomstig van de KLu.

Paneel 32 - Simulator, Vluchtnabootser met Bewegende Stuurhut (VMBS)

Computer voor VMBS - DEC PDP 11/45 (DIGITAAL)
1973-1982.
Dit systeem is in staat om te communiceren met de stuurorganen en instrumenten in de cockpit, dankzij het 32k, 16-bits elektronisch geheugen. Later wordt een tweede PDP-11 gekocht (PDP 11/55).

Paneel 32 - Computer, DEC PDP 11/45 en 11/55

Vluchtnabootser met Bewegende Stuurhut (VMBS), die in 1984 is hernoemd naar Research Flight Simulator (RFS)
1976-2003.
Foto: VMBS voorzien van Eénpersoonsstuurhut (1P) met monitor en spiegelsysteem voor uitzichtsimulatie (Wide Angle Collimator (WAC) Display).

Paneel 32 - Simulator, Vluchtnabootser met Bewegende Stuurhut (VMBS), later Research Flight Simulator (RFS)

Maquette voor Zichtsysteem t.b.v. VMBS, later RFS)
1976-1998.

Paneel 32 - Maquette voor Zichtsysteem (VMBS > RFS)

Eénpersoonsstuurhut op VMBS aangepast voor het MLS (Microwave Landing System) project
1978.

Paneel 32 - Eénpersoonsstuurhut op VMBS aangepast voor het MLS project - 1978

SIMULATOR - F-16 MOCK-UP
1973-2000.
Foto: de configuratie rond 1983. De PVC buizen zijn aangebracht in verband met experimenten op het gebied van 'Human Factors'

Paneel 32 - Simulator, F-16 Mock-up

1980-1996: Grote verbeteringen vinden plaats door gebruik van een tweezits cockpit (2P (= Tweepersoonsstuurhut), later TAC (= Transport Aircraft Cockpit)) en krachtiger computers. Het onderzoek is o.a. gericht op het testen van beeldbuizen, die de plaats innemen van conventionele vlieginstrumenten. Beide cockpits (1P en 2P) kunnen om en om worden geïnstalleerd. De vluchtnabootser en NARSIM (zie hieronder) worden elektronisch gekoppeld (1991). Ook een koppeling met de Amerikaanse FAA komt tot stand (1993).
Een geheel nieuwe vluchtnabootser (Nationale Simulatie Faciliteit of NSF) met een hydraulisch bewegingsmechanisme met zes graden van vrijheid, een F-16 cockpit, een digitaal beeldgeneratie- (CGI = Computer Generated Image) en een dome-projectiesysteem wordt in gebruik genomen. De laatste twee systemen verzorgen de nabootsing van het uitzicht van de vlieger.
Een civiele, mock-up-achtige simulator wordt ontwikkeld en in gebruik genomen. Deze vluchtnabootser is bekend onder de naam APERO en wordt gebruikt voor kleinschalige onderzoeksprojecten en blijkt al snel erg bruikbaar bij de voorbereidingen van projecten, die op de RFS, later GRACE, worden uitgevoerd.

SIMULATOR - Vluchtnabootser met Bewegende Stuurhut (VMBS), in 1984 hernoemd naar Research Flight Simulator (RFS)
1976-2003.
Foto: RFS voorzien van Tweepersoonsstuurhut (2P) met monitoren en spiegelsysteem voor uitzichtsimulatie (Wide Angle Collimator (WAC) Display) en al geschikt gemaakt voor het project F100 EFIS (Electronic Flight Instrument System) rond 1986.

Paneel 32 - Research Flight Simulator (RFS) met monitoren en spiegelsysteem rond 1986

Computer voor VMBS, later RFS - PE (Multiprocessor) System
1981-1999.
In 1981 wordt de PE 3242 geleverd. In 1983 wordt dit systeem vervangen door de 3200MPS. Dit is een multi-processor systeem (MPS). In 1990 volgt opnieuw een vervanging: de CCC MicroFive MPS (foto). CCC (kortweg: Concurrent) is de nieuwe naam voor PE (Perkin-Elmer).

Paneel 32 - Computer voor VMBS, later RFS, PE Multiprocessor System

Cockpit voor VMBS, later RFS - project Moderne Besturingssystemen (MBS)
1982.
Rechts is naast de reguliere stuurkolom een 'Side Stick' gemonteerd.
De stuurhut is afkomstig van de simulatie-afdeling van de KLM (Ex-PH-DSX DC-7 "Dry Sea") en is grondig verbouwd om hem geschikt te maken voor het experimentele werk.

Paneel 32 - Cockpit voor VMBS, later RFS - project Moderne Besturingssystemen - 1982

Cockpit voor VMBS, later RFS - project Microwave Landing System (MLS)
1986.
Op de foto is goed de overgang van conventionele vlieginstrumenten naar beeldbuizen te zien (Fokker 100).

Paneel 32 - Cockpit voor VMBS, later RFS - project Moderne Besturingssystemen - 1982

Cockpit voor VMBS, later RFS - volledig 'glazen cockpit' (fully Glass Cockpit)
1992.

Paneel 32 - Cockpit voor VMBS, later RFS - volledig 'glazen cockpit' (fully Glass Cockpit)

SIMULATOR - Nationale Simulatie Faciliteit (NSF), in 2002 hernoemd naar GFORCE
1988-2013.
Foto: NSF voorzien van Eépersoonsstuurhut (1P) met monitor en spiegelsysteem voor uitzichtsimulatie (Wide Angle Collimator (WAC) Display).

Paneel 32 - Simulator, Nationale Simulatie Faciliteit (NSF), met 1P

SIMULATOR - Nationale Simulatie Faciliteit (NSF), in 2002 hernoemd naar GFORCE
1988-2013.
Foto: NSF voorzien van F-16 MLU Cockpit en Dome Zichtsysteem - vanaf 1995.

Paneel 32 - Simulator, Nationale Simulatie Faciliteit (NSF) met F-16 en Dome

Cockpit voor NSF, later GFORCE - F-16 MLU
1995-2013.
Speciaal gebouwd voor NSF door General Dynamics (de maker van de F-16). De uitrusting is geheel conform F-16 MLU.

Paneel 32 - Cockpit voor NSF, later GFORCE, F-16 MLU

Cockpit voor NSF, later GFORCE - F-16 MLU
1995-2013.
Speciaal gebouwd voor NSF door General Dynamics (de maker van de F-16). De uitrusting is geheel conform F-16 MLU.

Paneel 32 - Cockpit voor NSF, later GFORCE, F-16 MLU

SIMULATOR - APERO
1992-heden.
APERO is een afkorting voor 'Avionics Prototyping Environment for Research and Operations mockup' en is 'statische' simulator.
Deze simulator wordt gebruikt voor kleinschalige onderzoeksprojecten en blijkt al snel erg bruikbaar bij de voorbereidingen van projecten, die op de RFS, later GRACE, worden uitgevoerd.

Paneel 32 - Simulator - APERO

1996-heden: De RFS (eerder VMBS genoemd) wordt vervangen door GRACE en krijgt een zes-graden-van-vrijheid-bewegingsmechanisme met elektromotoren, een nieuwe, modulaire cockpit en een uitzichtnabootsingssysteem met aanvankelijk een vier-kanaals WAC-Display Systeem (elke vlieger twee monitoren) en later een halfrond scherm met drie projectoren.
De NSF – later GFORCE – krijgt een 'g-cueing' systeem.
Het zichtgeneratiesysteem met maquette en camera wordt gaandeweg vervangen door digitale beeldgeneratiesystemen.
De F-16 Mock-up krijgt een nieuwe naam, Fighter Pilot Station (FPS), maar wordt langzaam maar zeker vervangen door het Fighter 4-Ship (F4S). Omdat 'fixed base' simulatoren goedkoper en eenvoudiger aanpasbaar blijken, wordt APERO verder ontwikkeld en worden CASPER (F-35-achtige lay-out) en het Helicopter Pilot Station (HPS) in gebruik genomen. Het HPS krijgt halverwege deze periode een modern zichtsysteem met een halfrond scherm en vier projectoren (HPS-NG = Helicopter Pilot Station - New Generation). Dit systeem is zodanig opgezet, dat meer neerwaarts zicht mogelijk is. Bij helikopters is dit zeer belangrijk.

Computers - PC-HOST
1998-heden.
De prestaties van pc's worden steeds beter. Ze benaderen en overtreffen die van de hier boven beschreven mainframes. Omdat mainframes duur in onderhoud zijn, ligt het voor de hand, dat pc's de mainframes gaan vervangen. Eerst voor HPS en APERO en later voor GFORCE en GRACE.

Paneel 32 - Computer, PC-HOST voor HPS en APERO, later voor GFORCE en GRACE

SIMULATOR - CASPER
2000-2009.
CASPER is een afkorting voor 'Cockpit Avionics Systems Prototyping and Engineering Rig'
Foto: hier staat de vluchtnabootser nog in Gebouw 55.

Paneel 32 - Simulator, CASPER

SIMULATOR - HPS
2001-2008.
HPS is een afkorting voor 'Helicopter Pilot Station'.

Paneel 32 - Helicopter Pilot Station

SIMULATOR - GRACE
2005-2018.
Foto: GRACE is een afkorting voor 'Generic Research Aircraft Cockpit Environment'. Op het nieuwe bewegingsmechanisme met elektromotoren is de Siemens cockpit en het Wide Angle Collimator (WAC) Display gemonteerd.

Paneel 32 - Simulator, GRACE met WAC Display

GRACE Cockpit
2005-2018.
Gebouwd door Siemens Nederland. Door de modulaire opbouw zijn veel typen vliegtuigen te simuleren (o.a. van Boeing, Airbus, McDonnell Douglas en Fokker).

Paneel 32 - Simulator, GRACE Cockpit

SIMULATOR - GRACE
2005-2018.
Foto: Generic Research Aircraft Cockpit Environment (GRACE) cockpit + Wide Display (vanaf 2012).

Paneel 32 - Simulator, GRACE plus Wide Display

SIMULATOR - F4S
2006-heden.
F4S is een afkorting voor 'Fighter 4-Ship'
Tijdens militaire operaties werken vliegtuigen in teams van twee, vier of meer samen. F4S is een onderzoekssimulatie-faciliteit, die de collectieve, tactische operaties van maximaal vier straaljagers kan simuleren. De mock-up-aanpak van het F4S maakt het systeem betaalbaar en mobiel. F4S is in 2012 verplaatst naar Vliegbasis Volkel.

Paneel 32 - Fighter 4-Ship

SIMULATOR - HPS-NG
2009-heden.
HPS-NG is een afkorting voor 'Helicopter Pilot Station - New Generation'.
Het HPS (zie boven) krijgt een betere stuurhut en een modern zichtsysteem met een halfrond scherm en vier projectoren. Door de verhoogde opstelling van de cockpit is het neerwaartse uitzicht sterk verbeterd.

Paneel 32 - Helicopter Pilot Station - New Generation

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Paneel 32 - Air Traffic Control (ATC) simulatoren

~1984: het NLR heeft een kleine groep medewerkers, die onderzoek doet naar luchtverkeersleidingstechnieken. Het onderzoek bestaat vooral uit advies- en ondersteuningswerk voor de RLD. Op gebied van ATC-systemen wordt er al enig onderzoek gedaan naar HMI en conflict-detectie algoritmes.

Sinds 1987 gebruikt het NLR simulatoren waarin de operationele kennis over luchtverkeersregeling is toegepast ten behoeve van het ontwikkelen van systemen en procedures, die:
– de capaciteit van het luchtruim vergroten;
– de veiligheid in de lucht handhaven;
– de efficiëntie van alle vliegtuigbewegingen verbeteren;
– het milieu zo min mogelijk belasten.
Het onderzoek richt zich op verschillende aspecten van luchtverkeersleiding. Enkele voorbeelden: Human Machine Interface (HMI), beeldscherm ‘lay-out’, invoer-apparatuur en hulpmiddelen, zoals conflict-detectie algoritmes.

1987: Eerste grafische scherm voor ontwikkeling Plan View Display (PVD).

Paneel 32 - Eerste grafische scherm voor ontwikkeling Plan View Display (PVD) - 1987

1988: ATC rasterscan display van Sony in houten console (2048x2048 pixels).

Paneel 32 - ATC rasterscan display van Sony in houten console (2048x2048 pixels) -  1988)

1991: er komt een koppeling met NLR’s RFS. Ook kan worden gekoppeld met de vliegtuigen van het NLR.

Paneel 32 - NARSIM gekoppeld aan externe systemen (1991)

1991-1993: de eerste gelegenheid voor een volledig simulatie-experiment: SWIFT. Dit is een 'Framework project' van de EU, dat wordt geleid door Thomson. Doel van het onderzoek is om geavanceerde ‘monitoring’ en controlemiddelen voor de verkeersleider te beproeven.

Paneel 32 - Compleet werkstation met 2kx2k scherm van Sony (project SWIFT) - 1991-1993)

1993-1998: een belangrijk internationaal project geleid door EUROCONTROL: PHARE. Deze afbeelding laat iets zien van het gemoderniseerde concept voor luchtverkeersleiding op basis van 4D-planning. De HMI is geheel vernieuwd en een belangrijk element is nu het tonen van ‘trajectories’ van vluchten inclusief de status van segmenten hiervan.

Paneel 32 - PVD voor PHARE project (1993-1998)

1997: een modernisering. Er komt een professioneler en meer realistisch werkstation. Het console is nu van staal.

Paneel 32 - Professioneel en 'realistisch' werkstation (1997)

2003:
- AFAS: een 'EU Framework' project geleid door Airbus, dat vooral is gericht op het gedrag van het vliegtuig binnen het ATM planningsproces.
- NARSIM (Radar + Toren) wordt gebruikt voor een nationale winteroefening voor Schiphol (alle 'stakeholders'). De codenaam is ‘Snowflake’. De aanleiding is de onverwachte sneeuwval in maart. De oefening leidt tot verbeterde communicatie en coördinatie en is zo zinvol, dat er herhalingsoefeningen komen. De tweede in 2006 (‘Snowwhite’) en de derde in 2007 (‘Joint Forces’). In dit jaar wordt het zichtsysteem van de torensimulator uitgebreid naar 360º.

Paneel 32 - AFAS – een 'EU Framework' project geleid door Airbus, dat vooral is gericht op het gedrag van het vliegtuig binnen het ATM planningsproces (2003)

2005: Gate-to-Gate – een project (ook EU) waarin in samenwerking met LFV, het ontwerp van een planningshulpmiddel van vertrekkende vliegtuigen (DMAN) wordt gevalideerd.

Paneel 32 - Gate-to-Gate – een project (ook EU) waarin in samenwerking met LFV, het ontwerp van een planningshulpmiddel van vertrekkende vliegtuigen (DMAN) wordt gevalideerd (2005)

2005: De eerste versie van de Torensimulator, toen TRS genoemd, wordt nog onafhankelijk van NARSIM opgezet. Deze krijgt slechts een 135º zichtsysteem (Siemens) en wordt neergezet op Schiphol. De definitieve installatie vindt plaats op zijn huidige locatie in Amsterdam.

Paneel 32 - De eerste versie van de Torensimulator, toen TRS genoemd

2011: De vierde winteroefening wordt gehouden (‘winter’). De NARSIM-configuratie omvat:
- 1 experimentleiderspositie;
- max. 15 pseudo-piloot posities (ieder 3 schermen, foto rechts);
- 8 verkeersleiderposities (NARSIM Radar, zie volgende foto);
- 180º ‘mini-toren’ (circa 3 werkplekken, zie daarop volgende foto);
- 360º toren (NARSIM Toren, circa 5 of 6 werkplekken, zie daarop volgende foto).

Paneel 32 - 15 pseudo-piloot posities (ieder 3 schermen) - 2011

2011: NARSIM Radar.

Paneel 32 - NARSIM Radar (2011)

2011: 180º ‘mini-toren’ (circa 3 werkplekken).

Paneel 32 - 180º ‘mini-toren’ (circa 3 werkplekken) - 2011

2011: 360º toren (NARSIM Toren, circa 5 of 6 werkplekken).

Paneel 32 - 360º toren (NARSIM Toren, circa 5 of 6 werkplekken) - 2011

10 oktober 2013: Het nieuwe zichtsysteem van NARSIM Toren wordt in gebruik genomen. Met dit zichtsysteem, waar 17 WUXGA projectoren deel van uitmaken, krijgt de verkeersleider een nog realistischer buitenbeeld te zien. Ten opzichte van het oude zichtsysteem is de resolutie verviervoudigd waardoor kleine vliegtuigen, ‘stop bars’ en lichtgeleiding veel beter te zien zijn.

Paneel 32 - Het nieuwe zichtsysteem van NARSIM Toren (2013)

Naar index | Terug naar Museale Collectie: Expositie NLR Museum


Webdesign Martin